In deze reeks gaan we op zoek naar het verhaal van de Riviera. De Riviera ontstond niet uit zomerse stranddromen, maar uit winters verlangen naar zon, gezondheid en elegantie. Wat maakt dat deze regio onafhankelijk van de rest van Italië kon ontwikkelen? Hoe konden onbeduidende Ligurische vissersdorpjes uitgroeien tot het toppunt van luxe en elegantie, tot een broeierig paradijs voor de internationale jetset van de belle époque?
Alassio. De vele levens van een badplaats
De kustgemeenten ten oosten van Sanremo zijn er in de belle époque nooit echt in geslaagd om het te schoppen tot winterparadijs. Hoewel negentiende-eeuwse reisgidsen de charme van dorpjes als Oneglia, Porto Maurizio of Diano Marina vermeldden, trokken ze weinig hivernants aan. Een lovenswaardige poging ondernam de Schot Gibb in Alassio. Hij was zo onder de indruk van het kustdorpje dat hij ervoor koos om er te gaan wonen. Door zijn toedoen kwam het wintertoerisme er op gang.
Shoppen in de darm
Parallel met de zee loopt de Budello van Alassio, een typische carruggio van zo’n twee kilometer, met een keur aan elegante winkels, bars en restaurantjes. Eigenlijk heet de straat Via XX Settembre, maar haar langgerekte vorm leverde haar al snel de bijnaam budello op: darm. Of misschien wel het mooiste openluchtshoppingcenter van de Ligurische kust. De boetieks zijn vooral gericht op een publiek dat houdt van luxe en raffinement.

Voor deze reeks liet ik de Budello aan de shoppers en volgde de sporen van de belle époque. Dat bracht mij bij enkele mooie villa’s en de Giardini di Villa della Pergola. Deze tuinen zijn onlosmakelijk verbonden met de familie Hanbury, de eigenaars van de botanische tuin in La Mortola bij Ventimiglia.
Thomas Hanbury, vooral bekend als zakenman en stichter van de botanische tuin van La Mortola, zag het vastgoedpotentieel van Alassio. Toen William Scott in zijn gids The Riviera (1907) de tuinen van Villa della Pergola omschreef als een waardige rivaal van Hanbury’s tuin in La Mortola, was de interesse gewekt. Uiteindelijk kocht Daniel Hanbury, de tweede zoon van Thomas, de villa en de tuinen in 1922. Daniel beheert op dat moment al de vastgoedactiviteiten van de familie in Alassio.
De faam van de Hanbury’s trekt een mondain publiek aan. Het stadje krijgt een urbanistische boost met theehuizen, hotels, een tennisclub, villa’s en later zelfs een casino. Na de Tweede Wereldoorlog en de plotse dood van Daniel Hanbury verdwijnt het wintertoerisme uit Alassio en trekt de stad volop de kaart van haar andere troef: drie kilometer zandstrand.
Muurtje
Met haar strand van fijn zand heeft Alassio het zomertoerisme snel omarmd: hotels en appartementen schoten er in de tweede helft van de vorige eeuw met sneltreinvaart uit de grond. Speculatiegolven beïnvloedden het stadsgezicht, vervallen villa’s en elegante hotels verdwenen zonder pardon onder de rupsbanden van een bulldozer. Het scheelde weinig of de Villa della Pergola was in handen van een projectontwikkelaar gevallen.
Tot halfweg de jaren ’50 was Alassio een rustige badplaats. Daar komt verandering in dankzij Mario Berrino. Samen met zijn broer baat hij het Caffè Roma uit, een bar die uitgroeit tot the place to be van de Riviera. Kunstenaars, regisseurs, actrices en acteurs, schrijvers, ze zijn er graag geziene gasten.
Onder hen ook Ernest Hemingway, die mee aan de basis ligt van Alassio’s trekpleister, il Muretto. Het was een eenvoudig cementen muurtje tegenover Caffè Roma, tot het in 1953 versierd werd met kleurrijke keramische tegels waar VIP’s hun handtekening op zetten. Sindsdien groeide il Muretto uit tot een openluchtgalerij met meer dan vijfhonderd keramische tegels waarop nationale en internationale beroemdheden hun handtekening achterlieten.

Samen met het muurtje ontstond de missverkiezing ‘Miss Muretto’. Geen gewone missverkiezing maar wel eentje waarin de kandidates konden uitpakken met algemene culturele kennis en reactiesnelheid voor de microfoon. Heel wat iconische tv-sterren, zoals Simona Ventura en Maria Teresa Ruta, debuteerden in Alassio. Il Muretto, de wedstrijd en het standbeeld van een verliefd koppeltje: het droeg bij tot de positionering van het merk Alassio.
Carospiaggia
Dat merk ontpopte zich steeds sterker tot een toevluchtsoord voor de elite. Het stadsbestuur investeerde flink in veiligheid, netheid en groen en gaf enorme budgetten uit aan de designrenovatie van de wandeldijk. Goedkope bazaars kregen nog maar moeilijk een vergunning, er kwamen strenge regels voor terrassen en ruimtelijke ordening en een indrukwekkend anti-erosieplan moet ervoor zorgen dat de zandstranden gevrijwaard blijven.

Met de exclusieve uitstraling bevestigt de stad bij haar bezoekers de mythe van de jetset uit de jaren ’50 dat Alassio gewoon de plaats is waar je wil zijn. Het motto van de stad is niet voor niets ‘Alassio. My place to be’. Natuurlijk komt dat alles met een prijs. Voor een weekje strand betaal je in Alassio gemiddeld 368€ aan strandstoel en parasol alleen. Het dagtarief, 50€ voor een plekje op de eerste rij vlakbij de zee, is daarmee het hoogste van heel Italië.
Op een ogenblik waarop burgemeesters van kustgemeenten ijveren voor meer vrije stranden en maatregelen nemen tegen de carospiaggia houdt het stadsbestuur van Alassio koppig vast aan het bestaande systeem. Dat systeem zijn de stabilimenti, zaken waar je tegen betaling een ligstoel en parasol krijgt en gebruik maakt van douches en toiletten. Je kan natuurlijk kiezen voor de spiaggia libera, maar hoe die er bij ligt, is afhankelijk van de investeringen van de gemeente. Soms moet je langs een drukke weg via een geïmproviseerde, steile trap van betonnen platen naar beneden, langs struiken en onkruid, door een tunnel zonder verlichting waarbij je je tevergeefs de datum van je laatste tetanusvaccin probeert te herinneren.
De laatste jaren neemt in heel Italië het protest tegen de stabilimenti alleen maar toe. Stranden opgedeeld in compartimenten met muren ertussen, malafide praktijken bij de toekenning van de concessies, eigenaars die als een waakhond bij de ingang checken of de badgasten in het geniep een panino en een flesje water binnen smokkelen… Vaker zie je nu stukken strand waar je je parasol kan neer planten en je handdoek uitspreiden naast de ligbedden van een uitbater. Op heel wat Italiaanse stranden zorgde de kritiek op de hoge tarieven ervoor dat opnieuw meer ruimte werd voorzien voor vrije stranden.
Zegt het strandleven je niks? Dan is Alassio een prima uitvalsbasis voor een historische wandeling in het spoor van de Romeinen.
Romeinse heirbaan

De Via Julia Augusta start aan de kerk van Santa Croce. Een hele klim vanuit het centrum maar je wordt beloond met een spectaculair zicht over de baai van Alassio. De kerk wordt voor het eerst vernoemd door paus Alexander III in 1169 als prioraat van de Benedictijnermonniken van het eiland Gallinara, op anderhalve kilometer van de kust. Het eiland maakt deel uit van een maritiem ecosysteem maar kwam enkele jaren geleden in handen van een Oekraïense magnaat uit Montecarlo en is nu niet meer te bezoeken.


De Via Julia Augusta verbond Piacenza met de trofee van Augustus in La Turbie en was een verbindingsweg tussen Gallia Cisalpina en Gallia Transalpina. Later werd de weg uitgebreid tot Arles. Belangrijke centra waren Albintimilium (Ventimiglia) en Albingaunum (Albenga).
Tussen Alassio en Albenga ligt het best bewaarde stuk. Het is een makkelijke wandeling van iets meer dan vijf kilometer langs de resten van een Romeinse necropool, wijngaarden, een amfitheater en de bedwelmende geuren van de macchia mediterranea. Helemaal los van de moderne wereld raak je nooit. Vakantiehuisjes, een B&B, een kluitje chalets met joelende kinderen: de moderne wereld is nooit veraf.

Na een kilometer wordt de weg smaller, verkeersvrij en stap je over de grote ronde stenen die we associëren met Romeinse wegen. Het zal met veel emotie geweest zijn dat de archeoloog Nino Lamboglia hier een origineel stuk van de heirbaan dacht te herkennen, al zou later blijken dat de stenen dateren uit de middeleeuwen. Wat zeker origineel is, zijn de Romeinse (graf)monumenten. Je hebt er wat verbeelding voor nodig, maar beseffen dat een Romeinse begrafenisstoet hier voorbij kwam, met hetzelfde silhouet van Isola Gallinara als achtergrond, zorgt voor een kippenvelmoment.

Palio
De torens van Albenga zie je al van ver liggen. Na de laatste bocht eindigt de wandeling nogal abrupt in Vadino, een buitenwijk van de stad.

Van de Romeinen naar de middeleeuwen is alweer maar een kleine stap want in Albenga is het palio. Geen paardenrace zoals in Siena maar historische optochten, wedstrijden tussen de verschillende wijken, plaats voor ambachten, kleine en grote spektakels en workshops voor kinderen. En natuurlijk eten, dansen en drinken. Ieder jaar staat de maand juli in het teken van deze afspraak met het verleden.

Ook wanneer er geen palio is, is Albenga een fijne stad om te bezoeken. De belle époque villa’s langs de viale Martiri della Libertà concurreren met het verzorgde centrum binnen de muren. Er zijn maar liefst vier fantastische musea, op wandelafstand van elkaar, die getuigen van het enorme historische belang van de stad. Bondgenoot van Carthago tegen Rome, bondgenoot van Rome tegen Genova, verwoest door de barbaren, bisschopszetel, bezet door de Savoia, provinciehoofdstad als deel van het koninkrijk van Sardinië. Mijn tijd in Albenga is beperkt dus kies ik voor een herbezoek aan het Battistero, met een indrukwekkende polichrome mozaïek uit de zesde eeuw. Nog even langs de libreria indipendente San Michele – gespecialiseerd in Ligurië – en dan is het richting station.


Terwijl de trein langs de kust terugrijdt naar Alassio, denk ik aan de vele gezichten van de Riviera di Ponente. Van Romeinse heirbaan tot belle époque, van jetset tot strandtoerisme: weinig plaatsen slagen erin zoveel verschillende verhalen in één landschap samen te brengen.




